GEDICHTEN VAN

Gedichten over ARTIS

In het ARTIS Tijdschrift nr. 2 – 2006 werd mijn gedicht ‘Reigerkolonie in Artis’ voor publicatie geselecteerd.
Vaak ben ik daar om te tekenen of gewoon wat te zitten met een schrijfblokje op schoot.

Reigerkolonie in Artis

Toegankelijk door kale bomen,
vliesdun begin, wordt om
partners gevlogen, gebekvecht,
nesten betwist, vrolijke noot
tegen een papierlichte lucht.
 
Wijdbeens waait een reiger aan,
vervoert zijn bijdrage vol
overgave, goed voor stutwerk.
Jeugd kijkt toe, ziet af, prutst
wat op een dwarse tak. Los hout.
 
Paren klitten in oksels van
de bergiep, de kruin biedt
uitvlucht in dit jaargetijde.
Niet iedere boom is favoriet,   
de zachte berk is vogelvrij.

Jeanne Wesselius
(uit: Uit de eerste Hand)


‘blauwe reiger’
olieverf – 45x40 cm.

Gedichten over ARTIS

In het ARTIS Tijdschrift nr. 2 – 2003 werd o.a. aandacht besteed aan het euthanaseren van de groep mandrils, bij wie het SIV-virus was geconstateerd.

Naar aanleiding van een eerder krantenbericht hierover had ik twee portretten van Cassius naar de redactie gestuurd en mijn spijt betuigd over deze trieste beslissing.

 

Het gedicht Mandril is van vroegere datum.

MANDRIL

Gekooid en achter glas zit de mandril.
Ik tracht zijn blik te vangen door stil
maar dwingend op hem in te zoomen.
Langzaam toont de kop de roze neusdop
in het blauwwit streeppatroon. Onder de
sterk gewelfde schedel weet ik de ogen,
peinzend, ver voorbij de wereld van de
Zoo. Ik wens hem wilde dingen toe.

De zwarte hand glijdt van de knie. Hij staat.
Het machtig dier verraadt een kracht, die
door de felgekleurde achterbouw wordt
aangescherpt. Met een hand aan het hekwerk
gaat hij het huis te lijf, de grootgesperde
bek toont witte beitels binnen omgekrulde
lippen. En heel zijn ingehouden woede wordt
meegevoerd in een aangrijpend roepen.

Jeanne Wesselius
(uit PAUW en andere Poëzie)

 

Tijdschrift ARTIS plaatste dit gedicht in nr. 3 – 2002.

MARABOES

Als een weerhaan staat hij op de tocht
zijn wieken te wegen
de trompetboom blaast bloesem en schaduw
een zegen voor de vogel aan de rand van het water
de naakte kop steekt uit haar bont
de krop uit het dons van de vogelborst
haar dorstige snavel kleppert een slok.

Hij schudt zijn kraag, vouwt vaardig
het pak op de wit donzen broek
stapt gewicht nader, ze pikken wat in de grond
draaien rond, klepperen water
waarna hij weer gaat, verderop.
Peinzend schikt zij haar onderdons,
dan vouwen de poten haar ernstig op.

Jeanne Wesselius
(uit: De Nieuwe Wilden in de Poëzie)
(Pauw en andere Poëzie)

‘Afrikaanse maraboe’
aquarel – 65x50 cm ipp.

omhoog